B2Boekhoudenย 2 studie
โ† Alle thema's

Grondbeginselen & dubbel boekhouden

Hoe je vanuit de boekhoudkundige basisgelijkheid via journaalpost, grootboek en saldibalans tot een balans en resultatenrekening komt - met de oefening 'dubbel boekhouden op 4 manieren' als rode draad.

๐ŸŽฏ Na dit thema kan jeโ€ฆ

  • De boekhoudkundige basisgelijkheid (Actief = Passief = Eigen vermogen + Schulden) uitleggen en toepassen op een balans.
  • Het onderscheid maken tussen balansrekeningen (klasse 1-5) en resultaatrekeningen (kosten klasse 6, opbrengsten klasse 7).
  • De debet/credit-regels per klasse correct toepassen en elke verrichting in evenwicht boeken (som debet = som credit).
  • Dezelfde verrichtingen op vier manieren verwerken: enkel op de balans (Pacioli), met resultaatrekeningen, bij niet-permanente en bij permanente inventaris.
  • Een verrichting verwerken via journaalpost -> grootboek (T-rekeningen) -> proefbalans en saldibalans.
  • Een boekjaar openen en afsluiten en uit de saldibalans de balans en de resultatenrekening (winst/verlies) afleiden.
  • Eenvoudige aan- en verkoopfacturen met 21% btw boeken met de juiste MAR-rekeningen.

Waarover gaat dit thema?

Dubbel boekhouden betekent dat elke verrichting twee keer geboekt wordt: een keer aan de debetkant en een keer aan de creditkant, voor exact hetzelfde totaalbedrag. Daardoor blijft de boekhouding altijd in evenwicht. Dit thema legt de fundamenten: de balans, de resultatenrekening, de debet/credit-regels, de journaalpost, het grootboek, de proef- en saldibalans en het openen/afsluiten van een boekjaar.

De centrale oefening van de leerkracht ('dubbel boekhouden op 4 manieren', oef. 01/003A-003B-003C-003D) boekt dezelfde reeks verrichtingen op vier manieren:

  • 003C BASIC - enkel op de balans (zoals Pacioli): het resultaat loopt rechtstreeks over een eigenvermogensrekening (reserves 131000).
  • 003D ADVANCED - idem, maar met een nettere voorstelling van meer-/minderwaarden.
  • 003A - met resultaatrekeningen maar niet-permanente inventaris: aankopen HG op kost 604000, voorraad pas op het einde via 609400.
  • 003B - met resultaatrekeningen en permanente inventaris: de voorraad 340000 beweegt bij elke aan- en verkoop mee.

De boekhoudkundige basisgelijkheid

De kern van alles is:

ACTIEF = PASSIEF, of uitgebreider: Activa = Eigen vermogen + Schulden.

  • Actief (links op de balans) = wat de onderneming bezit: gebouwen (221000), machines (231000), meubilair en rollend materieel (240000), voorraad handelsgoederen (340000), vorderingen op klanten (400000), bank (550000) en kas (570000).
  • Passief (rechts op de balans) = waar dat geld vandaan komt: het eigen vermogen (geplaatst kapitaal 100000, reserves zoals 131000/133000, overgedragen winst 140000) en de schulden (lening 430000, leveranciers 440000).

Balans versus resultatenrekening

Dit onderscheid is essentieel:

  • De balans is een momentopname van het vermogen (klasse 1 t/m 5). Ze toont saldi.
  • De resultatenrekening toont de stroom over een periode: kosten (klasse 6) tegenover opbrengsten (klasse 7). Het verschil is de winst of het verlies.

Klasse 6 - kosten (debet)

Kosten verarmen de onderneming en staan debet. Voorbeelden: aankopen handelsgoederen (604000), diensten en diverse goederen / D&DG (610000), bezoldigingen (620000).

Klasse 7 - opbrengsten (credit)

Opbrengsten verrijken de onderneming en staan credit. Voorbeelden: verkopen (700000), verkoop van vaste activa (707000), meerwaarden op realisatie (763000).

De debet/credit-regels per klasse

Dit moet je uit het hoofd kennen. Een rekening stijgt aan de kant van haar natuur:

SoortStijgt inDaalt in
Actief (kl. 2, 3, 5 en 40/41)debetcredit
Passief (kl. 1, 42-48)creditdebet
Kosten (kl. 6)debet(credit)
Opbrengsten (kl. 7)credit(debet)

Geheugensteun: een klant (400000) die meer aan ons schuldig is -> debet erbij. Een leverancier (440000) aan wie wij meer schuldig zijn -> credit erbij. Let op de (-)-rekeningen en de geboekte afschrijvingen: die staan aan de tegenovergestelde kant van hun rubriek (bv. geboekte afschrijvingen 231900 staan credit, hoewel ze bij een actiefrekening horen).

Van journaalpost tot saldibalans

De boekhoudkundige verwerking verloopt in vaste stappen:

  1. Journaalpost (dagboek): je noteert chronologisch welke rekening debet en welke credit gaat, met het bedrag. Regel: vul per regel OFWEL debet OFWEL credit in, nooit beide. Som debet = som credit.
  2. Grootboek (T-rekeningen): je verplaatst elke journaalregel naar de juiste rekening. Links = debet, rechts = credit.
  3. Proefbalans: controle dat de som van alle debetbewegingen gelijk is aan de som van alle creditbewegingen (controle van het dubbel boeken).
  4. Saldibalans: per rekening bereken je het saldo (debet- of creditsaldo). De som van de debetsaldi = de som van de creditsaldi.

Permanente versus niet-permanente inventaris

Dit verschil bepaalt hoe je een aankoop/verkoop van handelsgoederen boekt:

  • Niet-permanente inventaris (003A): elke aankoop HG gaat naar de kost 604000 (debet). De voorraad 340000 wordt pas op het einde van het boekjaar aangepast via de voorraadwijziging 609400 (toename voorraad -> 340000 debet / 609400 credit). Tijdens het jaar 'volgt' de voorraadrekening dus niet.
  • Permanente inventaris (003B): je houdt de voorraad 340000 voortdurend bij. Bij aankoop boek je rechtstreeks op 340000 (debet); bij verkoop boek je de kostprijs van de verkochte goederen uit 340000 (credit) via 609400.

Van saldibalans naar balans + resultaat

Uit de saldibalans splits je af:

  • De klasse 1-5 saldi vormen de eindbalans.
  • De klasse 6 en 7 saldi vormen de resultatenrekening.

Winst = opbrengsten (kl. 7) > kosten (kl. 6). De winst boek je over naar het eigen vermogen (bv. via reserves 131000/133000 of overgedragen winst 140000), zodat de balans terug in evenwicht is. In de 'enkel op de balans'-methode (Pacioli, 003C) loopt het resultaat rechtstreeks over een eigenvermogensrekening.

Openen en afsluiten van het boekjaar

  • Openen: je neemt de eindbalans van vorig jaar over als beginbalans (de balansrekeningen krijgen hun beginsaldo; de resultaatrekeningen starten op nul).
  • Afsluiten: je bepaalt het resultaat, boekt het naar het eigen vermogen en sluit alle rekeningen af op nul. Klasse 6 en 7 bestaan enkel binnen een boekjaar en starten elk jaar opnieuw vanaf nul.

Een factuur boeken met btw

Bij een aankoopfactuur handelsgoederen koop je de goederen excl. btw (604000, debet), de aftrekbare btw is een vordering op de staat (411590 ABTW, debet) en je hebt een schuld aan de leverancier voor het totaal incl. btw (440000, credit). Bij een verkoopfactuur is het spiegelbeeld: de klant betaalt incl. btw (400000, debet), de verkoop is een opbrengst excl. btw (700000, credit) en de verschuldigde btw (451540 VBTW, credit) moet je doorstorten. De btw zelf is nooit een kost of opbrengst, maar een vordering of schuld.

Voorbeeld uit de fiche (radiatoren als handelsgoederen): AF radiatoren 363,00 = 300,00 + 63,00 btw; VF radiatoren 605,00 = 500,00 + 105,00 btw.

๐Ÿ“– Volgens de cursus

Deel I - Het systeem van dubbel boekhouden, Hoofdstuk 1-6 (p. 29-128): H1 De balans, H2 De balansrekeningen, H3 De resultatenrekeningen, H4 Het MAR, H5 Journaal en grootboek, H6 De proef- en saldibalans.

Wat het boek toevoegt bovenop de bestaande samenvatting

De bestaande samenvatting legt de debet/credit-logica en de boekingsschema's goed uit. Het boek voegt vooral de wettelijke onderbouwing, de juridische nuances en de ordeningslogica toe die op een examen vaak terugkomen.

1. De balans als momentopname en de drie afgeleide gelijkheden (H1, p. 30-32)

Het boek vertrekt historisch bij Luca Pacioli (15e eeuw) en de kerngedachte dat het ingebrachte vermogen tegelijk een schuld van de onderneming aan de eigenaar is. Daaruit volgen drie gelijkheden die je moet kunnen omvormen: actief = passief, passief = kapitaal + schulden, kapitaal = actief - schulden (p. 32). Belangrijk onderscheid: werkmiddelen = bezittingen = aanwending (actief, links) tegenover financieringsmiddelen = herkomst (passief, rechts).

2. Ordeningscriteria van de balans (p. 33-35)

Dit is een examenvalkuil. De actiefzijde is geordend volgens stijgende graad van liquiditeit: eerst oprichtingskosten en vaste activa (laagste liquiditeit), dan vlottende activa, met als voorlaatste de liquide middelen (hoogste liquiditeit) en als sluitstuk de overlopende rekeningen. De passiefzijde is geordend volgens dalende graad van opeisbaarheid: eerst het eigen vermogen (permanent), dan voorzieningen, dan schulden > 1 jaar, schulden <= 1 jaar en de overlopende rekeningen. Gehuurde gebouwen of machines staan nooit onder de vaste activa (geen eigendom); leasing wel, mits aan de boekhoudvoorwaarden voldaan (p. 33).

3. Wettelijke basis: WVV en het KB van 29.04.2019 (p. 35-38)

De Wet van 23.03.2019 (WVV) en het KB van 29.04.2019 traden in werking op 01.05.2019. Kernpunten: de bv kan worden opgericht zonder maatschappelijk kapitaal (vroeger bvba: minimum 18.550 EUR), terwijl de nv een minimumkapitaal van 61.500 EUR behoudt dat volledig volgestort moet worden. Van 17 vennootschapsvormen blijven er 4 basisvormen over: nv, bv, cv en de maatschap. Art. 3:89. definieert rubriek I. Inbreng en die heet anders naargelang de rechtsvorm: 'Kapitaal' (nv), 'Inbreng' beschikbaar/onbeschikbaar (bv/cv), 'Vennootschapsvermogen' (vof/commv) en 'Verbindingsrekening' (eenmanszaak/natuurlijke persoon). De dubbele uitkeringstest (netto-actief mag niet onder nul + liquiditeitstest) wordt al vermeld (p. 38).

4. De btw is geen kost of opbrengst (H1 p. 41, H3 p. 73-75)

Het boek hamert hierop: bij aankopen is de btw recupereerbaar -> vordering op de btw-administratie; bij verkopen is de btw verschuldigd -> schuld. De handelaar/vennootschap behandelt btw nooit als kost of opbrengst; voor een gezin is btw wel een verbruiksbelasting (niet recupereerbaar).

5. Goodwill bij overname (p. 45-46)

Wanneer de overnameprijs hoger ligt dan het verschil tussen overgenomen activa en passiva, is die meerprijs goodwill (immaterieel vast actief). Voorbeeld Florista: overnameprijs 120.000 versus netto 95.000 -> goodwill 25.000.

6. Balansrekeningen, saldering en het verschil balans/rekening (H2 p. 51-57)

Elke balanspost wordt een rekening met een debet- (links) en creditzijde (rechts); de verzameling is het grootboek. Actiefrekeningen stijgen in debet en hebben een debetsaldo (DS); passiefrekeningen stijgen in credit en hebben een creditsaldo (CS). Verschil balans/rekening: de balans is statisch (alle activa/passiva, actief = passief), de rekening is dynamisch (รฉรฉn bestanddeel, D = C bij elke boeking).

7. Resultatenrekeningen afgeleid van 'Kapitaal' (H3 p. 72-73)

De boekingsregels van klasse 6 en 7 worden afgeleid uit de rekening Kapitaal: opbrengsten verhogen het kapitaal (credit), kosten verlagen het (debet). Onderscheid recurrent (dagelijkse werking) versus niet-recurrent (uitzonderlijk, bv. winst bij verkoop van een terrein of lottowinst). Resultatenrekeningen komen nooit in de balans voor.

8. Het MAR: structuur (H4 p. 85-88)

Wettelijke basis: art. III.84. WER en KB van 21.10.2018. Het MAR is decimaal: 8 klassen (1-5 = balansrekeningen, 6-7 = resultatenrekeningen, 0 = orderekeningen), klassen -> groepen (2 cijfers) -> rekeningen (3 cijfers) -> subrekeningen (>= 4 cijfers). Klassen 8 en 9 blijven vrij voor analytische boekhouding.

9. Journaal en proef-/saldibalans (H5-H6 p. 107-117)

De journaalpost vermeldt eerst de gedebiteerde rekening(en), dan de gecrediteerde voorafgegaan door 'aan'; per post moet D = C. De proefbalans (niet wettelijk verplicht) vergelijkt totalen van debet- en creditboekingen; de saldibalans vergelijkt de saldi. Beide totalen moeten ook overeenstemmen met het journaaltotaal. Valkuil: een vergeten tegenboeking of een verkeerde rekening van dezelfde aard wordt niet door de proefbalans opgespoord, een verschillend bedrag aan debet- en creditzijde wel.

Begrippen

Werkmiddelen / financieringsmiddelen
Werkmiddelen zijn de bezittingen (actief, de aanwending van het vermogen); financieringsmiddelen zijn de herkomst van het vermogen (passief). Het totaal van beide is altijd gelijk: actief = passief (p. 30-31).
Graad van liquiditeit
Ordeningscriterium van de actiefzijde: de mate waarin een actief snel in beschikbaar geld kan worden omgezet. De balans loopt van laag liquide (vaste activa) naar hoog liquide (liquide middelen) (p. 33).
Graad van opeisbaarheid
Ordeningscriterium van de passiefzijde: het eigen vermogen (permanent) staat bovenaan, daarna de voorzieningen en de schulden volgens afnemende looptijd (p. 34-35).
Rubriek I. Inbreng
De eerste passiefrubriek van het eigen vermogen (art. 3:89.). Heet 'Kapitaal' in een nv, 'Inbreng' (beschikbaar/onbeschikbaar) in een bv/cv, 'Vennootschapsvermogen' in een vof/commv en 'Verbindingsrekening' in een eenmanszaak (p. 37-38).
WVV
Wetboek van vennootschappen en verenigingen (Wet 23.03.2019), met het uitvoerings-KB van 29.04.2019; in werking op 01.05.2019. Voert o.a. de kapitaalloze bv in en behoudt het minimumkapitaal van 61.500 EUR voor de nv (p. 35).
Goodwill
Een immaterieel vast actief dat ontstaat bij een overname wanneer de betaalde prijs hoger is dan het verschil tussen de overgenomen bezittingen en schulden; vergoeding voor cliรซnteel, bekendheid en goede faam (p. 46).
Debetsaldo (DS) / creditsaldo (CS)
Het verschil tussen de totalen van beide zijden van een rekening. Actiefrekeningen vertonen een debetsaldo, passiefrekeningen een creditsaldo; deze saldi verschijnen op de eindbalans (p. 55-57).
Grootboek
De verzameling van alle rekeningen. Op elke rekening worden de verrichtingen soort bij soort gegroepeerd; de linkerzijde is debet, de rechterzijde credit (p. 51, p. 107).
Journaalpost (dagboek)
De chronologische registratie van een verrichting (art. III.84. WER): eerst de gedebiteerde rekening(en), dan - voorafgegaan door 'aan' - de gecrediteerde rekening(en); per post geldt D = C (p. 107-108).
Recurrent versus niet-recurrent
Recurrente kosten/opbrengsten horen bij de normale dagelijkse werking; niet-recurrente zijn uitzonderlijk en occasioneel, zoals lottowinst (niet-recurrente financiele opbrengst) of een voorraad die door brand verloren gaat (niet-recurrente bedrijfskost) (p. 66).
Minimum algemeen rekeningenstelsel (MAR)
Wettelijk verplicht, decimaal opgebouwd rekeningenplan (art. III.84. WER, KB 21.10.2018): 8 klassen (1-5 balans, 6-7 resultaat, 0 orderekeningen), opgedeeld in groepen, rekeningen en subrekeningen (p. 85-88).
Orderekeningen (klasse 0)
Een gesloten, in evenwicht zijnd geheel van rekeningen voor rechten en verplichtingen die niet in de balans staan maar het vermogen wel aanzienlijk kunnen beinvloeden (art. 3:2. KB WVV), bv. hypothecaire inschrijvingen of termijncontracten (p. 87).
Proefbalans
Een niet wettelijk verplichte controlebalans waarin per rekening het totaal van de debetboekingen tegenover het totaal van de creditboekingen wordt geplaatst; beide totalen moeten gelijk zijn en overeenstemmen met het journaaltotaal (p. 117).
Saldibalans
De balans waarin per rekening het saldo (DS of CS) wordt opgenomen; ze wordt pas opgemaakt nadat de proefbalans het evenwicht bevestigd heeft, en vormt de brug naar de eindbalans en de resultatenrekening (p. 117).

๐Ÿ”ข Kernrekeningen (MAR)

CodeNaamNatuurWanneer gebruiken
100000Geplaatst kapitaalCreditHet kapitaal dat de eigenaars/aandeelhouders inbrengen; stijgt in credit bij inbreng (eigen vermogen). In de fiche kort 'Inbreng' / '110' genoemd.
131000Onbeschikbare reservesCreditEigenvermogensrekening waarover in de 'enkel op de balans'-methode (Pacioli, 003C) het resultaat rechtstreeks loopt; in de fiche kort 'Reserves' genoemd.
140000Overgedragen winstCreditWinst die niet bestemd is en naar volgend jaar overgedragen wordt; sluitstuk om de balans bij afsluiting in evenwicht te brengen.
430000Kredietinstellingen โ€“ Leningen vaste termijnCreditSchuld uit een banklening (in de fiche 'Lening ING'); stijgt in credit bij opname, daalt in debet bij aflossing.
440000LeveranciersCreditSchuld aan leveranciers door een aankoop op factuur; stijgt in credit, daalt in debet bij betaling (Leverancier A/B/C in de fiche).
400000KlantenDebetVordering op klanten door een verkoop op factuur; stijgt in debet, daalt in credit bij ontvangst (Klant X/Y in de fiche).
231000Machines AWDebetMaterieel vast actief (machine); aanschaffingswaarde in debet bij aankoop.
240000Meubilair en rollend materieelDebetMaterieel vast actief (de 'stoelen'/meubilair uit de fiche); in debet bij aankoop, uit het debet bij verkoop.
550000KredietinstellingenDebetDe zichtrekening/bank; debet bij ontvangst, credit bij betaling (actief, liquide middel).
604000Aankopen van handelsgoederen (HG)DebetKost bij aankoop van handelsgoederen, geboekt excl. btw. Bij niet-permanente inventaris gaat elke aankoop HG hierheen.
340000Handelsgoederen (HG)DebetDe voorraad handelsgoederen op de balans (actief); bij permanente inventaris beweegt deze bij elke aan-/verkoop, bij niet-permanente enkel via de voorraadwijziging.
609400Voorraadwijziging van handelsgoederen (HG)Debet/CreditBoekt de toename of afname van de voorraad HG; bij niet-permanente inventaris op het einde van het jaar, bij permanente bij elke verkoop.
411590Aftrekbare btw (ABTW)DebetDe btw op aankopen die je van de staat mag terugvorderen; vordering (debet) op een aankoopfactuur.
700000VerkopenCreditOpbrengst bij verkoop van handelsgoederen/diensten, geboekt excl. btw op een verkoopfactuur, credit.
707000Verkoop VACreditOpbrengst bij de verkoop van een vast actief (bv. het meubilair); credit, excl. btw.
763000Meerwaarden op de realisatie vanCreditMeerwaarde wanneer de verkoopprijs van een vast actief hoger is dan de boekwaarde (niet-recurrente opbrengst), credit.
451540Verschuldigde btw (VBTW)CreditDe btw die je op verkopen aanrekent en aan de staat verschuldigd bent; schuld (credit) op een verkoopfactuur.

๐Ÿ“ Boekingsschema's

Inbreng van kapitaal en banklening (openen onderneming)

Een aandeelhouder brengt geld in op de bankrekening en de onderneming neemt een banklening op.

DebetCredit
  • 550000 Kredietinstellingen(inbreng + lening)
    De bank (actief) stijgt -> debet.
  • 100000 Geplaatst kapitaal(inbreng)
    Het eigen vermogen (passief) stijgt door de inbreng -> credit.
  • 430000 Kredietinstellingen โ€“ Leningen vaste termijn(lening)
    De schuld uit de lening (passief) stijgt -> credit.

Aankoopfactuur handelsgoederen (21% btw)

Je koopt handelsgoederen op factuur bij een Belgische leverancier.

DebetCredit
  • 604000 Aankopen van handelsgoederen (HG)(excl. btw)
    Kost klasse 6 -> debet, bedrag exclusief btw (niet-permanente inventaris).
  • 411590 Aftrekbare btw (ABTW)(btw 21%)
    Terugvorderbare btw = vordering op de staat -> debet.
  • 440000 Leveranciers(incl. btw)
    Schuld aan leverancier (passief) stijgt -> credit, totaal inclusief btw.

Verkoopfactuur handelsgoederen (21% btw)

Je verkoopt handelsgoederen op factuur aan een Belgische klant.

DebetCredit
  • 400000 Klanten(incl. btw)
    Vordering op klant (actief) stijgt -> debet, totaal inclusief btw.
  • 700000 Verkopen(excl. btw)
    Opbrengst klasse 7 -> credit, bedrag exclusief btw.
  • 451540 Verschuldigde btw (VBTW)(btw 21%)
    Btw verschuldigd aan de staat = schuld -> credit.

Verkoop van een vast actief met meerwaarde

Je verkoopt een vast actief (bv. meubilair) voor meer dan de boekwaarde.

DebetCredit
  • 400000 Klanten(verkoopprijs)
    Vordering op klant (actief) stijgt -> debet.
  • 240000 Meubilair en rollend materieel(boekwaarde)
    Het vast actief verdwijnt aan de aanschaffingswaarde/boekwaarde -> credit.
  • 763000 Meerwaarden op de realisatie van(verkoopprijs - boekwaarde)
    De meerwaarde is een niet-recurrente opbrengst -> credit.

Afsluiten boekjaar: winst overboeken naar eigen vermogen

Bij afsluiting zijn de opbrengsten (kl. 7) groter dan de kosten (kl. 6). Het verschil is winst die naar het eigen vermogen gaat.

DebetCredit
  • 700000 Verkopen(totaal opbrengsten)
    Opbrengstrekening wordt afgesloten -> tegengestelde kant (debet) om saldo op nul te zetten.
  • 604000 Aankopen van handelsgoederen (HG)(totaal kosten)
    Kostenrekening wordt afgesloten -> tegengestelde kant (credit).
  • 140000 Overgedragen winst(verschil = winst)
    De winst verhoogt het eigen vermogen (passief) -> credit; brengt de balans in evenwicht.

โš ๏ธ Veelgemaakte fouten

โŒ De btw als kost (604000/610000) of opbrengst (700000) boeken.

โœ… Btw is een vordering (411590 ABTW) of een schuld (451540 VBTW / 451000). De kost/opbrengst boek je excl. btw, de leverancier/klant incl. btw.

โŒ Debet en credit op dezelfde regel invullen.

โœ… Per journaalregel vul je OFWEL debet OFWEL credit in; de andere kolom is leeg (null). Het evenwicht ontstaat over de hele boeking heen.

โŒ Een boeking die niet in evenwicht is (som debet niet gelijk aan som credit).

โœ… Tel altijd debet en credit op voor je verder gaat. Bij een factuur met btw: incl. btw aan de ene kant = excl. btw + btw aan de andere kant (bv. 363 = 300 + 63).

โŒ Een vast actief (meubilair, machine) verkopen via 700000.

โœ… 700000 is voor handelsgoederen. Een vast actief verkoop je via 707000 Verkoop VA; de meerwaarde tegenover de boekwaarde boek je op 763000. Enkel de meerwaarde is opbrengst, niet de volledige prijs.

โŒ De eindejaarsvoorraadwijziging (609400) vergeten bij niet-permanente inventaris.

โœ… Bij niet-permanente inventaris gaan aankopen naar 604000; pas op het einde corrigeer je de voorraad via 340000 / 609400. Zonder die correctie klopt de voorraad op de balans niet.

โŒ Bij de betaling van een klant opnieuw de omzet en btw boeken.

โœ… De omzet/btw zaten al in de verkoopfactuur. Een betaling verschuift enkel van 400000 (klant) naar 550000 (bank): 550000 debet / 400000 credit.

โŒ Het resultaat (winst) niet overboeken naar het eigen vermogen.

โœ… Boek de winst naar 140000 of 131000/133000 (credit) bij de afsluiting; anders is de eindbalans niet in evenwicht (Actief is niet gelijk aan Passief).

โŒ Een MAR-code verzinnen die niet bestaat.

โœ… Gebruik enkel codes uit de MAR-lijst. Twijfel je, kies de dichtstbijzijnde geldige code en vermeld de twijfel.

๐Ÿ“ Meerkeuzetoets

10 vragen op basis van de cursus. Kies en krijg meteen feedback.

Vraag 1 / 10Score: 0/0

Welke uitspraak over de rekening 'Kapitaal' is FOUT? (Meerkeuzetoets H1-3, vraag 1)

โ“ Controlevragen